Hoewel hij het haardvuur in de afgelopen uren steeds kleiner had zien worden, gaf het nog genoeg warmte af voor Gertje om er zijn handen mee te warmen. In zijn dikke wintertrui keek hij naar het smeulende hout. Het voelde alsof hij er al de hele dag zat, misschien was het ook wel zo.
Voor hem stond zijn oude kleine linkerschoentje. Het schoentje die hij de afgelopen drie jaar al had gedragen zag er afgetrapt en vies uit. Maar het was zijn goede schoentje. Van de rechterschoen liet de zool al los, dus die durfde Gertje niet bij de open haard te zetten.
In zijn schoentje zat een grote winterpeen. Die had hij in de middag op de markt gekocht. Voor een paar centjes die hij de afgelopen twee maanden bij elkaar had gespaard. Door de sneeuw heen had hij ook nog wanhopig gezocht naar een beetje hooi, maar dat kon hij nergens vinden. Gertje hoopte dat de schimmel genoegen zou nemen met een verse wortel.
Het begon koud te worden en Gertje schoof dichter bij de open haard. Hij begon te trillen en wreef zijn handjes tegen elkaar. Hij blies zijn warme adem er tegenaan. Het kon niet lang meer duren, daar was hij van overtuigd. Door de dunne muren hoorde hij eerder op de avond hoe het buurjongetje lachte om de gedichten en pakketjes die hij van de goedheiligman had gekregen, maar nu was het stil. Het hele huis was stil. Het enige geluid wat hij hoorde was de koude wind die langs de gevel waaide en het zachte geknapper van het vuurtje.

Vlak nadat zijn ouders naar bed waren gegaan, was hij bij de haard gaan zitten. Heel stiekem, want papa en mama geloofden niet in Sinterklaas. Ze zeiden dat het nep was en dat de cadeautjes gewoon uit de winkel kwamen, maar Gertje geloofde het niet. Hij was ervan overtuigd dat Sinterklaas bestond, want al zijn vriendjes op school hadden wel cadeautjes van hem gekregen. En een gedicht.
Dat vond Gertje nog het mooiste van alles. Een gedicht, dat Sinterklaas speciaal voor ieder kind schreef. Alsof je dat in de winkel kunt kopen. Gertje moest er niets van weten, maar luisterde naar zijn ouders. Maar nu maakte hij een uitzondering. Hij moest en zou zijn schoen zetten, koste wat het kost. Sinterklaas was tenslotte al bij de buren geweest, dus hij moest in de buurt zijn.
Hij keek naar het kleine klokje op de schoorsteenmantel. De grote wijzer stond op de drie en de kleine op de twaalf. Wat dat precies betekende wist Gertje niet, maar het was in ieder geval laat. Buiten was het al donker en alleen de spierwitte sneeuw was nog zichtbaar. Hij schoof nog wat dichter tegen de haard aan en zag hoe het vuur was gedoofd. De houtjes gloeiden nog na, maar niet lang daarna veranderde het in een levenloos hoopje kool. De woonkamer was koud, kil en pikkedonker.
Sinterklaas kwam niet.