Het is meestal gewoon een routine. Inchecken op station Gouda, naar spoor 3/5 lopen en wachten tot de eerstvolgende InterCity naar Utrecht vertrekt. Eenmaal in de trein sla ik een krant open of ik lees een boek op mijn eReader. Vorig weekend begon ik de routine weer. Het was ‘s avonds, dus de krant had ik al gelezen. En laat ik nou net gaan zitten naast iemand die ook een eReader heeft. Even lijkt de routine niet onderbroken te worden. Ik ga gewoon zitten en haal de eReader uit mijn binnenzak. Op het moment dat ik hem uit de slaapstand haal, kijkt de jongen naast me op. Hij lacht vriendelijk naar me. “Ha, jij bent ook van de club!”

Ik lach vriendelijk terug en mompel iets van “Dat ding is ideaal. Ik kan niet meer zonder.” Mijn gedachten slaan ondertussen op hol. Een club? Wat voor club? Een boekenclub? Een eReaderclub? Snel begin ik met lezen, want het idee van een boekenclub bevalt me op de een of andere manier niet. Ik wil het eerst even verwerken, voordat ik er verder over praat. De jongen naast me gaat gelukkig ook verder met zijn boek. Ik lees mijn boek, maar wat ik lees dringt niet tot me door. De ‘club’ blijft in mijn gedachten dwalen.

Op de een of andere manier ben ik niet echt van clubs. Vooral niet als ik niet precies weet wat ze inhouden. Kennelijk ben ik nu lid van een club van eBook-lezers. Daar heb ik bij aankoop van het apparaatje niet bij stilgestaan. Ik wil helemaal geen lid zijn van een club. Ga weg met je club! Bovendien had niemand het mij verteld, dat ik automatisch lid zou worden van een club. Dat hadden ze wel even mogen doen. Nu ben ik ongewild lid van een club!


Maar hoe ziet die club er dan precies uit? En zitten er voordelen aan mijn lidmaatschap? Kan ik nu korting krijgen op boeken? Of zijn er bepaalde verplichtingen? Elke maand een bijeenkomst om boeken te bespreken? Dat zou vreselijk zijn. Moet ik eigenlijk contributie betalen? Is er een jaarverslag en zijn er vergaderingen? Het moet toch heel wat zijn om een club draaiende te houden van alle eBook-lezers in Nederland. Daar moet een hoop organisatie achter zitten.

Aan de andere kant heb ik vooralsnog niets gemerkt van ‘mijn club’. Lekkere club is dat dus. Je mag alleen maar pronken met je lidmaatschap (waar je overigens geen fysiek bewijs van hebt). Het is dus net zoiets als motorrijders die naar elkaar zwaaien. Onder het mom van ‘He, jij hebt ook een motor’. Of buschauffeurs die elkaar groeten. Zitten die dan bij de motorrijdersclub en buschauffeursclub? Ik denk het wel. 

Ik weet het allemaal niet meer hoor. Het is gewoon raar, om een niet bestaande club te hebben. Nog raarder is dat bestaande mensen lid van zijn. Dus bij dezen zeg ik mijn lidmaatschap van de eReaderclub op. Het was gezellig mede-eBook-lezers, maar dit is niet helemaal mijn ding. Laat mij maar gewoon lezen. In mijn eentje.. Op de eReader.. 


Ik doe het weleens stiekem, als niemand kijkt. Op een onbezonnen moment. Geheel schaamteloos, maar op mijn hoede, zet ik dan mijn koptelefoon op en luister naar een liedje van Bløf. Dat is mijn grote geheim. Niet dat ik fan ben, ik heb slechts twee nummers van de band op mijn mp3-speler staan, maar omdat die twee liedjes me mateloos interesseren. Een ervan is Liefs uit London. Het is ongelooflijk hoeveel vragen de tekst van dat nummer bij mij oproept.

Eerst legt de zanger van Bløf uit dat hij wereldvreemd is. Hij kent geen andere landen, grote steden en leeft van dag tot dag. Maar tot zijn vreugde krijgt hij (zo te horen vrijwel dagelijks) post van een geliefde. Een aardige dame die de wereld rondreist en daarvan verslag doet. Uit Madrid stuurt ze kaarten, uit Moskou een brief. Ze doet wel aan de nodige variatie. Of ze heeft door het sturen van ansichtkaarten uit Moskou een dure aangelegenheid wordt, maar dat lijkt me niet. Uit Lisabon komt overigens een ‘ik mis je en een zoen’. Iets wat je gemakkelijk in een sms’je kunt doen, maar dat ze het via de postduif stuurt is wel vertederend.


Maar dan komt de verwarring. Gisteren kreeg de zanger van Bløf (laat ik stellen dat hij de gelukkige ontvanger van de post is in dit nummer) een bericht uit Lissabon. Vandaag kreeg hij een kattebel op de post, uit het Tsjechische Praag. Alsof dat nog niet genoeg is, verwacht hij morgen liefs uit Londen. Die mevrouw maakt een mooie omweg door Europa, via Tsjechië van Portugal naar Engeland reizen. Ik vraag me ook af wat ze nou precies aan het doen is. Journalist kan ze niet zijn, daarvoor moet je langer dan één dag op een plaats zijn. Een wereldreis kan het ook niet zijn, daarvoor is ze ook veel te kort in de buitenlandse steden.

Buiten het feit om dat deze dame een hele rare reis maakt door Europa, is het ook best grappig om te horen hoe onzeker de ontvanger van de post is. Hij verwacht morgen liefs uit London, ‘als de postbode mijn huis weer heeft gevonden’. Wat schattig, hij leeft niet alleen in zijn eigen wereldje, hij denkt ook nog eens dat de postbode dagelijks zijn huis moet ‘zoeken’. Of hij heeft een erg verstrooide postbode die vaak de weg kwijt is, dat kan natuurlijk ook. 

De zanger droomt elke nacht van een atlas, dat lijkt me na een tijdje ook saai worden. Je zou denken dat je het op een gegeven moment wel allemaal gezien hebt en er zelf heen wilt. Wat ik nog vreemder vind is dat de wereldreismevrouw (laat ik haar zo maar noemen) vanuit Praag een presentje stuurt. ‘Vandaag uit Praag een kattenbel, want er is zoveel te doen’. Een kattenbel! Kennelijk is er veel te doen, dus stuurt ze een kattenbel? Is dat iets wat ze ergens op de markt op de kop heeft getikt en snel verstuurd, omdat het minder tijd kostte dan het schrijven van een briefje? Of is een kattenbel een puur Praagse souvenir? Komen er zoveel katten uit Tsjechië? Wie verwacht er nou een kattenbel…

Een échte Praagse kattenbel bestaat niet, maar toen ik het internet raadpleegde voor de betekenis van het woord kattenbel, kwam ik al snel terecht bij kattebel. Een kattebel is dus een kort briefje. Dat verklaart een hoop. Er is dus helemaal geen fysieke kattenbel, maar slechts een kort briefje (omdat er zoveel te doen is). Er is veel te doen, dus ze neemt heel kort de tijd om een briefje te schrijven. Hoewel je zou denken dat je dan juist veel te vertellen hebt, maar daar heeft ze natuurlijk geen tijd voor.

Geen souvenirs dus, maar slechts verhalen en korte berichtjes. Nu vraag ik me wel af waar het volgende bericht vandaan komt, als ze Londen weer heeft verlaten. Als ze de strakke planning van haar reizen aanhoudt, kan het zomaar zijn dat er een brief uit Bratislava komt, of Skopje. Misschien wel Helsinki. Of ze gaat van het Europese continent af (doe eens gek) en stuurt een briefje uit Kaapstad. Het zal mij benieuwen. Wat in ieder geval wel zeker is, is dat ze terugkomt. ‘Aan de muur van mijn gedachten, hangt een wereldkaart te wachten. Tot ze terugkomt’. Tenminste, dat is wat de zanger van Bløf zegt. Maarja, die leeft een beetje in zijn eigen wereldje… 

Terwijl ik mijn chipkaart in de betaalautomaat op de toonbank doe, valt me iets op aan het apparaatje. Het is een vernuftig apparaatje dat bestaat uit slechts drie knoppen (Stop, Info en OK) en een klein schermpje waarop te zien is hoe groot het gat in je hand precies is. Recht boven de chipkaartingang staat een korte tekst: Quality Equipment. Bijzonder, is dat een mededeling of een merknaam? Welke fabrikant bedenkt nou om op hun apparaatje de tekst ‘kwaliteitsapparaat’ te zetten? Is het niet de bedoeling dat ik daar zelf een oordeel over vel? 

Een korte Google-speurtocht geeft me in 0.18 seconden een antwoord: het is een merknaam. Iemand heeft de merknaam ‘kwaliteitsapparaat’ geregistreerd en maakt daar nu betaalapparatuur mee. Ik weet nog niet of ik dat nou ontzettend slim, ontiegelijk arrogant of ongelooflijk dom moet vinden. Het is slim, omdat het doet vermoeden dat het kwaliteitsproducten zijn. Het is arrogant om zelf te bepalen dat je producten kwalitatief goed zijn. En het is dom om een product met kwaliteit te bestempelen als hij wel degelijk een keertje stuk kan gaan. Een vrachtwagen noem je tenslotte ook niet blinkend schoon, als je weet dat hij vast wel een keer op een modderige weg moet rijden.


Of een stempeltje ‘kwaliteit’ daadwerkelijk invloed heeft op het denken van een consument betwijfel ik. Een andere fabrikant noemt zijn producten toch ook niet ‘non-kwalitatief’? De Chinezen plakken ook geen sticker met de tekst ‘kwantiteit’ op hun producten. Wie met de slogan ‘kwantiteit boven kwaliteit’ werkt zal ongetwijfeld het onderspit delven, maar wie niet uitdrukkelijk ‘kwaliteit’ bij zijn product zal zijn producten toch ook wel aan de man kunnen brengen. Of kopen we toch liever de kwaliteitsmelk dan de gewone melk? Dan heb ik het niet over het product zelf, maar op de manier waarop het wordt aangeprezen.

Laatst zag ik ook nog een auto voorbijrijden met reclame erop. ‘Professionele verlichting’ stond erop. Alsof er ook mensen rondrijden met daarop ‘Amateurverlichting’. Het is toch wel bijzonder als de fabrikant bepaald dat iets professioneel (of van goede kwaliteit) is. Volgens mij moet je dat soort woorden sowieso nooit gebruiken. Het schept een hoog verwachtingspatroon die je misschien niet eens kunt waarmaken. Bij professioneel denk ik echt aan iets perfects, terwijl er toch altijd wel wat kan mankeren. 

Bij kwaliteit zegt het bovendien eigenlijk niets. Slechte kwaliteit is ook kwaliteit. Voor hetzelfde geld is dat chipapparaatje een ‘Rotkwaliteitproduct’, maar hebben ze voor het gemak rot even weggelaten. Dat het apparaatje überhaupt werkt kan al betekenen dat het kwaliteit is. Een product zonder kwaliteit kan niks, toch?! Kwaliteit is een ontzettend rekbaar begrip. 

Misschien worden we met zijn allen gewoon voor de gek gehouden. Dat alles voor ons wordt voorgekauwd en bekeken of het van kwaliteit is. Of misschien denken we in ons onderbewustzijn dat kwaliteit altijd goed is, hoewel je nooit kunt bepalen of iets nou echt kwaliteit is. De beste mensen van de betaalapparatuur zijn niet de enige die er waarschijnlijk zo over denken. Je hebt ook kwaliteitstractors, kwaliteitsvarkensboerderijen, kwaliteitsvisnetten, kwaliteitsverkopen (ha!), kwaliteitsprinters en last but not least kwaliteitsbier. Over smaak valt dus kennelijk niet te twisten! 

Nu Noord-Korea weer bezig is met het maken van een raket, houdt de hele wereld zich bezig met het land waar we eigenlijk vrij weinig van weten. Behalve dan dat je er niet zomaar inkomt of uitgaat. Het lijkt me toch vrij bijzonder om daar geboren te worden. Natuurlijk is dat niet positief, je hebt je eigen leven niet in handen. Je leeft voor de staat, 'werkt naar vermogen en neemt naar genoegen'. (Al is laatstgenoemde al een tijdje niet meer mogelijk.) De staat is alles en in Noord-Korea wordt verkondigd dat Noord-Korea het beste land ter wereld is. Stel je eens voor dat we een soortgelijke situatie in Nederland hebben.


Ik vraag me al langere tijd af hoe Nederlandse staatspropaganda eruit zou zijn. Wat zou je zien als je om acht uur naar de televisie kijkt. De kinderdijk? Molens? Philips? Of toch Flevoland? “Zie hier het prachtige stuk land, dat alleen door de hardwerkende Nederlanders tot stand is gekomen. De Nederlander is machtiger dan het water en creëert land waar nodig,” roept de strenge doch trotse omroepstem. “En kijkt u eens naar deze gloeilampen. Wat een pracht uit Eindhoven! Ontworpen met Oer-Hollandse nuchterheid.” En dan verschijnt Rutte op televisie. Die komt ons vertellen hoe goed we wel niet allemaal zijn en dat Nederland het nakijken heeft.  

Natuurlijk hebben we ook overal standbeelden staan van Onze Grote Leider Rutte (of welke andere leider we zouden hebben). Met zijn rechterhand geheven, wijst hij ons de weg naar een liberale heilstaat. In zijn linkerhand heeft hij de hypotheekrenteaftrek.. of zoiets. En wat te denken van de jaarlijkse militaire parade. Ok, het is misschien wat kleinschaliger dan in Noord-Korea, maar toch. Marcherend door het Binnenhof (ons eigen ‘Rode Plein’). Nu we die tanks toch al hebben afgedankt, moet dat prima te doen zijn. In de lucht vliegen er een paar JSF-vliegtuigen voorbij. Iets wat Nederland al een aantal jaren in zijn greep houdt is natuurlijk ook iets waar we trots op moeten zijn.

Dan is het nog maar te hopen dat de regerende macht wel een goede keuze maakt bij het kiezen van propaganda-muziek. De hele dag naar het Wilhelmus luisteren is ook niet alles, maar alles beter dan Dries Roelvink, Frans Duits en Frans Bauer. Met alle respect, maar die wil je niet vierentwintig uur per dag door de luidsprekers horen. De driekleur komt ook nog niet al te machtig over. Dus daar zal ook verandering in worden gebracht. Iets met een symbool ofzo, dat doet het altijd goed. 

Nee, ik ben niet voor een gesloten systeem zoals in Noord-Korea. Al kan het geen kwaad om te bedenken hoe het is om op die manier te leven. Nederland zal zich zo’n systeem sowieso niet aanmeten. Die zestien miljoen Nederlanders krijg je niet zomaar klein. Ze zijn veel te eigenwijs, gaan allemaal hun eigen gang. Geen staat die ze voor het lapje voor kan houden. Bovendien is het ook niet echt praktisch als je een muur om Nederland heen moet zetten. In Zeeland wordt dat knap lastig. En hoe erg we de Belgen soms ook vinden, eigenlijk vinden we het wel gezellig dat ze zo dicht naast ons wonen. Toch?!..

Misschien is het omdat ze zo afhankelijk zijn. Of misschien juist alleen maar omdat ze klein zijn. Hoe dan ook: baby’s zijn geliefd. Iedere moeder die met kinderwagen over de markt loopt, kan aanspraak verwachten. “Ach, wat een schattig kindje,” zegt de ene omstander. “Kijk nou naar die kleine handjes,” zegt een ander. Positieve reacties zijn te verwachten. Baby’s hebben een soort aantrekkingskracht en zijn eigenlijk, net als kleine/handzame dieren, altijd schattig. Toch heb ik iets raars kunnen ontdekken aan het fenomeen ‘baby’. De aantrekkingskracht van de kleine mensjes laat ik voor wat het is, de term baby is minstens zo interessant. 

Het klinkt misschien logisch om een klein mens van 0 tot 12 maanden een baby te noemen, maar ik vind het maar raar. Vooral als je het vergelijkt met de fases die volgen: peuter en kleuter. Als een baby dus ouder wordt dan 12 maanden, dan verandert hij of zij spontaan in een peuter. Raar dat we dan opeens een Oer-Hollandse term gaan gebruiken voor het kleine mensje. Terwijl we voor de eerste levensjaren een geleend woord gebruiken! Alleen al de y aan het einde van het woord baby doet namelijk vermoeden dat het een Engelse term is.

Dat roept bij mij allemaal vreemde dingen op. Alsof de Engelsen ons introduceerden aan het fenomeen ‘baby’. Dat zij met de eerste kleintjes naar Nederland kwamen om te laten zien wat een baby is, terwijl wij het al die tijd alleen maar over peuters en kleuters hadden. Dat is toch gek? Je zou denken dat wij Nederlanders ook wel een eigen interessante term hebben voor nieuw mens. Een Nederlandse naam die in het verre verleden door Riet den Dolder of een Henk de Vries werd bedacht. Het lijkt me sterk dat die hebben zitten wachten op een buitenlander om een naam te bedenken voor hun pasgeborene. 


In mijn zoektocht naar de herkomst de term baby stuit ik op de intrede ervan in Nederland. Volgens Het Groot Etymologisch Woordenboek doet baby ergens tussen 1901 en 1950 in Nederland zijn intrede. Een opvallend lange tijdspanne, waarin twee wereldoorlogen plaatsvonden, maar kennelijk is er ergens in die 49 jaar een Engelsman of Amerikaan met zijn pasgeborene naar Nederland gekomen. Het is een verkleiningsvorm van babe, dat weer van de kindertaal ‘baba’ afkomstig zou moeten zijn (een soort tussenvorm van papa en mama). We kunnen dus stellen dat baby’s zelf hun eigen naam hebben bedacht. Als dat niet briljant is! 

Maar waarom dan baby? (Overigens niet te verwarren met babi, dat varken betekent.) Er staat een doorverwijzing bij naar zuigeling. Een woord dat ik zelf altijd al raar heb gevonden, maar dat kennelijk hèt Nederlandse alternatief is. Zuigeling bestaat al sinds 1526 (toen de Nieuwe Spelling van 2005 nog niet geïntroduceerd was: suyghelinck). Een zuigeling is een kindje dat nog niet gezoogd is (m.a.w. nog aan de borstvoeding zit). Ach ja, met zo’n stoffige term kan ik wel begrijpen dat we de nieuwe mensen spontaan baby’s zijn gaan noemen. 

Stel je eens voor. Loop je daar, medio 1800, met je houten kinderwagen (met bijzonder oncomfortabele houten wielen) over de markt. “Ach mijn jufvrouw, wat een prachtige zuigeling,” zegt de een. “Wat een vertederende kleine handjes heeft uw zuigeling,” zegt de ander. Het klinkt misschien wel chique, maar baby klinkt toch een stuk leuker en informeler. We mogen de Engelsen best bedanken voor het introduceren van die term, anders zaten we nu nog met die zuigelingen. Jolly good, my lads!...

Meer artikelen...

Pagina 1 van 21

Start
Vorige
1

 

OVER VAN ALLES,
NOG WAT EN MINDER
VERWANTE ZAKEN


Gedachtekronkel

"Waarom zijn partytenten bijna altijd wit?"
-CP

- advertentie -
Banner